Struinend in de
uitgebreide boekenverzameling
van wijlen mijn vader

Het liegerke
(Cynicus natans)


O kletsende zwetsende liegeding,
met ’t rode kabotseken aan,
wat zien ik toch node uw smoelken flink
al liegend op ’t kiezerspad gaan !


Gij liegt en bedriegt en gij zwetst zo snel,
al zie’k uw geweten, geen een;
gij wendt en gij keert uw kazak zo wel,
al zie ‘k u geen ere, geen een


Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn ?
Verklaar het en zeg het mij, toe !
Wat zijt gij toch, liegende kopke fijn,
dat nimmer van liegen zijt moe ?


Gij zwetst over ’t luisterend volkje klaar,
en ’t kiesvee niet méér en verroert
dan of het een ernstige windje waar,
dat stille over ’t landeke voert.


O liegerkes, liegerkes, zegt mij dan,
met twintig zijt gij en meer,
en is er geen een die ’t mij zeggen kan:
Wat liegt en wat liegt gij zo zeer ?


gij liegt, en ’t staat in het water niet,
Gij liegt, en ’t is uit en ’t is weg;
geen kiezer en weet er wat dat bediedt:
och, liegerke, zeg het mij, zeg !


Zijn ’t profijtjes daar ge voor liegen moet ?
Zijn ’t postjes daar ge voor liegt ?
Zijn ’t frankskes of centjes of muntjes zoet
of ’t profijt, waarop dat gij wiegt ?


Zijn ’t mandaatjes, krieblende geldgepiep,
of is ’et het vele gewin,
dat onder en boven u blinkt, zo diep,
of is het u, liegerke, te min ?


En ’t kletsende zwetsende liegeding,
met ’t rode kapoteken aan,
het stelde en rechtte zijn oorkes flink,
en ’t bleef daar een stondeke staan:


‘Wij liegen’ zo sprak het, ‘al zwetsend af
het gene onze Partij, weleer,
ons makend en lerend, te liegen gaf,
één reden, niet min nochte meer;


wij liegen, en kunt gij die reden nog
niet raden, wat hadt gij verwacht ?
Wij liegen, bedriegen en liegen toch,
voor nog meer geld en nog meer macht !’

parafrasering van G. Gezelle's ' Het schrijverken'